Edgard Tytgat

1879 - 1957
Klik op een kunstwerk voor meer informatie

Edgard Tytgat groeide op in Brugge, maar woonde zijn hele verdere leven in Brussel en de Brusselse rand, behalve tussen 1914 en 1920. Toen woonde Edgar Tytgat in Londen vanwege de Eerste Wereldoorlog en de gevolgen daarvan voor België. Na zijn studie aan de Brusselse Académie des Beaux-Arts schilderde Edgard Tytgat eventjes in symbolistische stijl.

Tussen 1907 en ca. 1912 deelde Edgard Tytgat een atelier met zijn vriend Rik Wouters (1882-1916). In die tijd en nog lang daarna hanteert Edgard Tytgat een (neo)impressionistische stijl, maar ca. 1922 stapt hij over op een naïeve stijl, die veel ontleende aan volksprenten uit de achttiende en negentiende eeuw.

De favoriete onderwerpen van Edgard Tytgat werden naakten, dromen, circussen, kermissen en interieurs, alles met een verhalende inslag en een zweem van humor. De stijl uit deze periode, die wel eens ‘schalks expressionisme’ is genoemd, is lineair en zonder perspectief. Edgard Tytgat maakte ook veel boekillustraties, boekbanden, houtsneden met tekst en ander grafisch werk.

Dit onbezorgde zomerse tafereel stamt uit Edgard Tytgats neo-impressionistische periode. Een man met een rode puntbaard, een werkmanshoed en laarzen zit op iets geels langs een jaagpad in het water te staren, misschien tijdens een pauze in het vissen. Onder een paraplu zit een jongen achter hem met een strooien hoed in de hand. Op de voorgrond een vrouw met een zomers klokhoedje met brede blauwe band; zij wacht met gevouwen handen op de dingen die komen gaan.

Dan is er nog een jonge man met op zijn hoofd een strooien hoed (canotier of matelot) die staat te peinzen en zijn aandacht eveneens bij het water houdt. De vier personen zijn erg op zichzelf en hebben geen onderling contact. Ergens verderop wordt een sluiswachtershuis weerspiegeld in het rimpelloze water. Alles is bevroren in contemplatie.