Hendrik Johannes Weissenbruch

1824 - 1903
Klik op een kunstwerk voor meer informatie

Hendrik Johannes (J.H.) Weissenbruch (1824) schilderde het Hollandse landschap. Hij was de absolute meester van de wolkenpartijen, gekenmerkt door een bijzondere frisheid. Hij schrok er niet van terug om -zoals hedendaags kunstenaar Robert Zandvliet het omschreef – ‘schone onderbroekenwit’ te gebruiken. Hiermee creëerde hij licht in zijn werk. J.H. Weissenbruch kwam uit een kunstenaarsfamilie, waarvan een aantal niet onverdienstelijk werkten. Er hingen bij in zijn ouderlijk huis werken door Schelfhout en Van Hove. Een vrolijk en geliefd mens en kunstenaar, die hem bij Pulchri Studio en bijvoorbeeld Vincent van Gogh de bijnaam de Vrolijke Weis opleverde.

De weg naar de Haagse School
De ontwikkeling van Jan Hendrik Weissenbruch tot een van dé toonaangevende kunstenaars van de Haagse School verliep zeer geleidelijk. In de jaren veertig werd hij opgeleid door de nu vrijwel vergeten Gelderse schilder Johannes Löw en de Haagse stadsgezichten- en decorschilder Bartholomeus Johannes van Hove. Vaak wordt er gedacht dat Andreas Schelfhout – een autoriteit op het gebied van landschappen die dagen – een rol speelde bij Weissenbruchs opleiding, maar op aanraden van zijn makker Bosboom, kiest hij ervoor om zijn eigen weg te gaan.
In eerste instantie schilderde Weissenbruch heel erg romantisch; de sporen van Ruysdael, Van Hove en Schelfhout zijn overduidelijk. Het licht pastelkleurig goudgeel, de panorama’s weids en meeslepend, met weelderige boompartijen onder hoge luchten. Dit was echter iets wat later veranderen zou in de Hollandse frisse luchten zoals die zijn na een verfrissende hoosbui.  Wat hij eerder probeerde te benaderen in vergezichten, vond hij nu in geconcentreerde verbeeldingen van het ruime Hollandse polderland met zijn riviertjes, vaarten en slootjes. In de jaren tachtig zou hij doorbreken bij het grote publiek met landschapsimpressies waarin ruimte, licht en lucht de boventoon voeren.

Aquarellen
Weissenbruch was een hartstochtelijk aquarellist. In 1866 werd hij lid van de Société Belge des Aquarellistes in Brussel, en in 1876 van de Haagse tegenhanger ervan, de Hollandsche Teekenmaatschappij. Deze beide verenigingen hadden als doel de erkenning van de aquarel als zelfstandig kunstwerk te bevorderen door jaarlijks tentoonstellingen waar gelegenheid was de waterverftekeningen te kopen. De grote populariteit vanaf de jaren tachtig van Jan Hendrik Weissenbruch zijn aquarellen is voor een groot deel aan deze exposities te danken. Critici roemden de vlotheid, zorgeloosheid en opgetogenheid die erin aan de dag gelegd leken. Niets was echter minder waar. Weissenbruch was vaak eindeloos in de weer met zijn aquarellen. Hij hield ze soms lang in portefeuille om ze later nog verder te kunnen bewerken. Die gewoonte en het feit dat de kunstenaar zelden dateerde, maakt het lastig om een chronologie in zijn werk aan te brengen.

De ontdekking van Noorden
Jan Hendrik Weissenbruch schilderde aanvankelijk alleen de omgeving van Den Haag, Haarlem en Arnhem. Vanaf de jaren zestig verlegde hij zijn aandacht naar landschappen in de buurt van Boskoop, Gouda, Delft en Schiedam. Vanaf 1875 verbleef de kunstenaar vaak in gezelschap van andere schilders van de Haagse School in de waterrijke omgeving van de Nieuwkoopse Plassen en Noorden. Hier vond hij alles waar hij zo lang naar had gezocht, Noorden was voor Weissenbruch thuiskomen. In de laatste jaren van zijn leven vertoefde hij ook regelmatig in het Limburgse Houten.

Barbizon
Weissenbruch was tot  1900 nog nooit in het buitenland geweest. In 1900 – op 76-jarige leeftijd –  waagt hij het erop en bezoekt het werkterrein van grote voorbeelden als Jean-François Millet.  Werken van J.H. Weissenbruch zijn te vinden in vele musea, waaronder In het Gemeentemuseum Den Haag, Rijksmuseum, Dordrechts Museum, Museum de Fundatie, Boymans van Beuningen, en vele andere.